Burcht op de Shadowfell

Sessie 3

Toen het wapengekletter stil viel begon het vogelgezang weer en alles leek rustig in het bos. De lichamen van de kobolds lagen overal, vaak nog met wapens in hun handen. De avonturiers haalde weer adem en keken zorgvuldig rond, zwaarden nog paraat, maar er was alleen het geruis van de waterval en de vlucht van vogels over het rivier.

Toen zagen ze ineens een grote schaduw bewegen door de bomen. En brede man in schubvormig pantser stapte het licht in, een enorm twee-handige zwaard met golvende tekeningen op de kling en een vergulde pareerstang nonchalant bengelend in zijn hand. “Vrede mensen, ik ben Regdar, ik ben geen gevaar voor jullie”. Achirai keek scherp op, “ik ken die naam, jij hebt de draak Tussenmaug gedood toch?” “Ja, maar niet alleen”, Regdar keek even somber. “ik had goede metgezellen, maar die zijn er niet meer”. Kanadar keek vragend naar Achirai, die knikte even en Kanadar trok zijn hand van zijn shurikens.

Regdar legde even uit dat hij op zoek was naar Douven Staal om meer te weten te komen over zijn zwaard, maar dat “een of andere elf”, hem deze kant had opgestuurd. “Vreemd”, zei Nadarr zachtjes “Ninaran heeft jou de verkeerde kant opgestuurd. Hier zijn alleen kobolds, maar die zijn wel een groot gevaar voor Winterhaven. Wil jij ons helpen?” De grote dragonborn keek naar Regdars stevige maar gekraste harnas en lichtjes knikkend met zijn brede geschubde hoofd voegde hij zachtjes toe, “er is ook een beloning…”

Stappend door de waterval was het alsof ze in een andere wereld terechtkwamen. Flakkerende lichten, gekrijs van kobolds, geklingel van noodklokken en aanstormende voetstappen vulden de donkere grot. De schaduwen dansten op het hoge plafond als enorme schaduw-strijders terwijl de kobold verdedigers op de groep afstormden. Van achter werden ze opgejaagd door een grimmig figuur: een enorme goblin-krijger, gezicht beschilderd met een witte ramsschedel, daarop een helm met scherpe metale tanden op het kaakstuk en twee strijdbijlen in zijn handen. Dit moest de beruchte Ijzertand zijn, geflankeerd door zijn Drakenschild handlagers. Achirai maaide verdedigers neer met zijn duistere krachten en de shurikens van Barakas kwamen suizend uit de duisternis als stalen roofvogels. Regdar stormde op de grote goblin leider af, woest om zich heen hakkend, maar van de Warlord Nadarr was even geen spoor, hij was bewusteloos geslagen door een vallende rots.

Toen Ijzertand eindelijk de geest gaf werd het duidelijk dat hij de oorzaak van de aanvallen was. In de schatkist was een brief van zijn meester Kahlarel: de spion van Kahalarel in Winterhaven had verteld dat er “nieuwe bezoekers” waren, die uitgeschakeld moesten worden want het voltooien van het ritueel mocht niet in gevaar komen. Op het einde van de brief de verkillende woorden “als mijn werk volbracht is word het bevolking van Winterhaven een voodselbron voor de hordes van Orcus, die vanuit de Shadowfell de wereld zullen instromen”. Er viel een stilte toen de groep de wrede woorden verteerden. Het doel was niet meer het vinden van een verloren telg van een edele familie, of zelfs het gevaar van Kobold struikrovers afwenden. Zonder de legionen van Nerath om ze tegen te houden zouden de ondoden van Orcus een breed spoor van dood en verderf door het land zaaien. Orcus zou een permanente vestiging in de materiele wereld krijgen.

Barakas stond, zoals zo vaak, met zijn vingers het oude Tiefling tekenschrijft op zijn dolk te traceren. Rondkijkend met een felle gloed in zijn witte ogen zei hij: “Er is dus een spion in Winterhaven, een verrader”. “Ja” zei Nadarr. “Lijkt het jou niet gek dat Ninaran ons allemaal deze kant opstuurde?” “Wij zullen een praatje met haar maken als wij terug in de stad zijn” gromde Achirai. In de achterkamer vonden ze het oude altaar van de Kobolds en Achirai herkende het vijf-koppige draak-teken van Tiamat op de muur. De besmeurde muren waren ooit kleurrijke mozaïeken geweest. Hier was ooit een bibliotheek geweest, maar van de boeken had de kobolds een groot nest van papier gemaakt. Het altaar van Tiamat was vervuild en ontwijd door hun goblin overheerser en getooid met de gouden Ramshoofd van Orcus. Maar de kobolds hadden toch één geheim kunnen verbergen voor hun nieuwe meester. Toen Kanadar zachtjes drukte op het midden van de teken van Tiamat kwam een verborgen standbeeld van de drakengod tevoorschijn, waarachter een smalle donkere gang de diepte in verdween…

Net op dat moment kwam een lange gestalte overeind uit het nest papier. Ineens stonden ze neus aan neus met een lange Eladrin tovenares, ogen wild, een bloedkorst op haar achterhoofd en haar hand vol vuur. “Eloyhain, merias, kinnedien!”, riep ze en Barakas sprong naar voren met zijn dolk….

Het leek Satissa of ze eindeloos ronddoolde in een verstikkende droom, een labyrinth van druppelend bloed en gapende, zwarte openingen naar… iet onnoembaars. Wat was er met haar gebeurd? Het konvooi, de aanval, vuur uit haar handen, Kobolds overal, gevechtsgeluiden en dan ineens een ontploffing in haar hoofd en duisternis. Ze veerde overeen en zag donkere gestalten en het glinster van wapens in de duisternis, “Terug, verworpenen van het Licht!” riep ze, en een gebaar riep de vlammen van Eliandel naar haar hand. Toen stond er ineens een kleine Tiefling voor haar, dolk gericht naar haar keel, de vlammen in haar hand verlichtten zijn grimmige gezicht. De duizeling trok wat weg, het waren geen Kobolds. “Wie zijn jullie?” beet ze hen in de Gewoontaal toe. De grote Dragonborn spreidde zijn lege klauwen langzaam en keek haar rustig aan. “Wij zijn geen vijanden van de Eladrin in elk geval, dame. Volgens mij hebben wij jou net bevrijd zelfs.” Een speerpunt van pijn schoot door haar hoofd, “ik was bij een konvooi richting Winterhaven, waar zijn de anderen…?” Hij schudde langzaam zijn hoofd. “Wij hebben niemand anders gevonden.” Satissa trok diep adem en het voelde alsof ijswater door haar aders vloeide. Ze had de kooplui niet kunnen beschermen. Die schuld moet ingelost worden. “Dan zullen de stichters van dit kwaad de wraak van de Eladrin leren kennen. Hoe kan ik jullie helpen?”

De smalle gang was donker en Satissa had met een handgebaar en een paar woorden een steen fel laten gloeien, zonder warmte. Barakas bekeek het argwanend. Wel handig, maar hij was niet dol op Eladrin-magie. Je wist nooit waar het vandaan kwam en wat het echt zou gaan doen. Hij klom als eerste de gang in, zijn voetend zorgvuldig neerzettend, tastend naar de oneffen, gladde treden door de dunne zolen van zijn schoenen. Achter hem klonk ineens gekletter en gevloek. Terwijl hij zijn hielen tegen een bult in de muur klemde maakte hij een boog van zijn ligaam en zag Achirai voorbij glijden, zijn geborduurde leren jas besmeurd en een sliert natte mos langs zijn haakneus. Zucht. Als iets beneden op ze wachtte hadden de olifanten het goed wakker gemaakt.

“Die ruimte boven was ooit een bibliotheek, van de Dienaars van het Groen, druides”, zei Satassa langzaam. “en dit was hun laatste rustplaats”. De duistere kamer was vaal verlicht door de gloeiende steen en in nissen in de muren stonden eindeloze rijen urnen, de meeste nog heel. Meer een rommelplaats dan een rustplaats, vond Barakas, allemaal planten-natuur gedoe, ze hadden zelfs de boomwortels tot in hun tombe laten doorgroeien. Een shuriken zwiepte van tussen zijn vingers vandaan en verbrijzelde een urn. Maar toen begonnen de wortels te bewegen…

Comments

Timon

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.